Beestenweer

Nader verklaard: Beestenweer

 

4 oktober 2009 – Dieren reageren op veranderingen in het weer waar wij mensen, als we geen meetinstrumenten gebruiken, geen weet van hebben. Weerprikkels voor dieren zijn veranderingen in vochtigheid, temperatuur, luchtdruk, wind en onweer.

 

Als er ander weer op komst is veranderen deze grootheden vaak tevoren, zodat uit het gedrag van dieren soms een primitieve weersvoorspelling kan worden afgeleid. De dieren nemen hun maatregelen om elk levensgevaar te mijden of aan voedsel te komen.

 

 

“Vliegen de zwaluwen hoog dan is het weer schoon en droog, vliegen ze laag, regen voor vandaag.” Een heel betrouwbare weerspreuk, die goed verklaarbaar is. Bij mooi weer zijn er opwaartse bewegingen in de lucht (thermiek) die de insecten mee omhoog nemen. De zwaluwen moeten het dan ook hogerop zoeken om aan voedsel te komen. Bij somber en nat weer blijven de insecten lager en vliegen de zwaluwen ook lager.

 

 

Als kippen, koeien of schapen niet gaan schuilen voor de regen blijft het lang regenen. Zoeken ze meteen een schuilplaats dan duurt de bui meestal niet lang. Vissen komen bij mooi (warm, zonnig en windstil) weer naar boven omdat het zuurstofgehalte in het water onder de omstandigheden afneemt. Veel dieren tonen een specifiek gedrag afhankelijk van weer en wind.

 

Op basis daarvan bestaat er een biologische windschaal, die het gedrag van dieren beschrijft bij de windkracht volgens de schaal van Beaufort. Bij een zwakke wind (kracht 1 of 2) vliegen de bladluizen en zweven jonge spinnen aan herfstdraden. Bij windkracht 3 verplaatsen spinnen, luizen en sprinkhanen zich niet meer en bij 4 Beaufort blijven ook de kevers aan de grond. Windkracht 5 is voor alle vliegen teveel, behalve voor horzels. De nachtelijke vogeltrek stopt dan ook.

 

Bij windkracht 6 stoppen de nachtvlinders en bijen en wagen zich nog maar weinig vogels in de lucht. Windkracht 7 is aanleiding voor kleine vogels om een schuilplaats te zoeken en bij kracht 8 zijn er nauwelijks nog vogels in de lucht. Als het stormt (kracht 9) zien we alleen nog zwaluwen of eenden vliegen en in een zware storm (kracht 10) blijven alle vogels aan de grond.

 

Bron: KNMI